Deeleconomie is Steeleconomie

-

Eerlijk delen was als kind het devies. “Gij zult eerlijk delen” zou zo op grootmoeders tegeltje hebben kunnen staan. Hoe anders staat de huidige term delen in het licht. Het nieuwe delen is een door kapitalisme geïnjecteerde horror beweging geworden. Er is weinig over van de ideologie waarmee kleine startups een nieuw soort economie probeerden uit te vinden: “Let’s share!”

Het klassieke kapitalisme had altijd al tegenstanders, maar na de kredietcrisis van 2008 werd meer dan ooit duidelijk dat mensen klaar waren met de macht van de superrijken. Het werd voor bewegingen als Occupy een protestsymbool. Gekleed in zwarte kostuums met hoge hoed en sierlijke snor werd het een uitbeelding van de superrijken zoals het mannetje van het populaire gezelschapsspel Monopoly. Mensen waren klaar met het kapitalisme en verlangden in meest extreme vorm misschien zelfs wel terug naar het communisme.

En in essentie klinkt het ook mooi natuurlijk. Wat is er mis met het feit dat mensen hun bezit delen? De geschiedenis heeft ons echter geleerd dat daar heel veel mis mee kan zijn. Lenin, Stalin en Mao hebben nou niet bepaald de goede kant van hun ideaal laten zien. Armoede, uitbuiting en een totalitaire staat tot gevolg. Mensen zijn van nature namelijk helemaal niet vrijgevig. Adam Smith schreef ver voor de tijd van Marx in zijn The Wealth of Nations: “Het is niet de welwillendheid van de slager, de brouwer of de bakker waar we ons avondeten aan danken, maar hun eigen belang.”Smith, als vader van de moderne economie, zag in dat de mens door eigen belang zelf zijn waarde kan creëren.

Maar is er dan geen middenweg? Een manier om bezit op de één of andere manier toch te delen zonder dat het de economie op zijn gat legt of doorslaat in kapitalistische grootmachten?

Ongeveer tegelijkertijd met het begin van de financiële crisis werd in Silicon Valley de basis voor een nieuwe economie gelegd. In 2008 konden studiegenoten Brian Chesky en Joe Gebbia hun appartement in San Francisco niet betalen. Ze kochten een luchtbed (airbed) en doopten de woonkamer om tot bed and breakfast. AirBed & Breakfast was hiermee geboren. Voor Brian en Joe was dit een goede manier om wat extra’s bij te verdienen en zo de huur te kunnen betalen. Het betekende het begin van een romantisch startup-verhaal waarmee Airbnb razendsnel de markt veroverden. Het bedrijf had de wind mee en de algehele tendens was zeer positief. Delen was hot, en het jonge bedrijf was een verademing vergeleken met de vastgeroeste hotelindustrie.

Rond dezelfde tijd werd ook de taximarkt op zijn kop gezet. Uber versimpelde het maken van een taxiritje tot het tappen en swipen in een app. Uber slaagde er in om het taxirijden zodanig te versimpelen en het was ook nog eens vele malen goedkoper voor de consument. Het veranderde van een luxe tot een betaalbare dienst en werd hiermee ook bereikbaar voor een veel grotere doelgroep, waaronder jonge mensen.

Airbnb en Uber zagen ruimte in de markt waar disruptie meer dan noodzakelijk was. Het was een markt waarin het gedrag van consumenten moest veranderen. Mensen moesten het als normaal gaan beschouwen om bij een vreemde in te stappen of anderen in je bed te laten slapen. Het ging om vertrouwen tussen mensen die elkaar nooit eerder hebben ontmoet, de Amerikaanse politicoloog Robert Putnam noemde dit ‘thin trust’.

Het Duitse BlablaCar is een goed voorbeeld van dit ‘dunne vertrouwen’. Met BlaBlaCar kunnen mensen hun auto delen om bijvoorbeeld van Amsterdam naar Berlijn te rijden. Het brengt mensen samen die elkaar nooit eerder hebben gezien. Uit onderzoek blijkt dat de gebruikers hun passagier zelfs bijna net zoveel vertrouwen als persoonlijke vrienden. En dat is ook het mooie van de deeleconomie, het brengt mensen samen en creëert een positieve vibe in de maatschappij. Maar de lofzang van de deeleconomie wordt vooral gevoerd op basis van sentimenten. Bijgestaan door de marketingmachines van Airbnb en Uber lijkt het een paradijs waar alles awesome en incredible is.

Ik zie echter iets anders gebeuren. De deeleconomie pretendeert dan wel een mooi sociaal systeem te zijn, maar in tegenstelling hebben Airbnb en Uber nog maar weinig met delen te maken. In amper tien jaar tijd zijn ze uitgegroeid tot kapitalistisch megabedrijven met een geschatte waarde van tientallen miljarden. De term ‘delen‘ lijkt daarmee niet op zijn plaats. In de Volkskrant van 16 juni 2016 wordt terecht opgemerkt: “Waarom spreken we over ‘deeleconomie’? Het Hilton ‘deelt’ zijn kamer toch ook met u als u ervoor betaalt.” In feite is het gewoon ‘platform kapitalisme’. Net als bij het klassieke kapitalisme is er een grote groep mensen die het ‘werk’ doet, en een kleine groep die de winst van het arbeidsproces opstrijkt. In het geval van Airbnb betekent dat 15 procent per transactie, iets waar ze vrij weinig voor hoeven te doen. Airbnb faciliteert enkel een platform waarop huurders en verhuurders elkaar kunnen ontmoeten om een transactie te maken.

Als we de deeleconomie gaan zien als platform kapitalisme is Marx opeens weer heel relevant. Marx stelde in zijn ‘Communistisch Manifest’ ruim 150 jaar geleden al dat er een ongelijke verdeling was tussen individuen. Er was een klassenstrijd gaande tussen de bourgeoisie, de huidige yup met hip koophuis in de Amsterdamse binnenstad, en het proletariaat, de groep die geen toegang heeft tot het kapitaal. Alleen de mensen met bezit kunnen geld verdienen met de deeleconomie. Zo sociaal is de deeleconomie daarmee helemaal niet en in de Tegenlicht documentaire Slapend Rijk wordt dit dan ook terecht omschreven als: “links lullen, rechts vullen”.

Maar er spelen rond Airbnb meer problemen dan alleen dit gelijkheidsvraagstuk. Een buurt zoals de Jordaan ziet of hoort op een dag zoveel rolkoffers dat van een sociale cohesie nog amper sprake is.

De grotere stroom toeristen heeft voor een algehele ‘verpretparkisering’ van de stad gezorgd. Loop een rondje door de binnenstad van Amsterdam en je raakt al snel de tel kwijt bij het aantal wafel- en ijswinkels. Door deze enorme stroom van toeristen is er een grote vraag naar accommodaties. Je kan met Airbnb meer huur opstrijken dan met reguliere huurders. Interessante business dus voor huizeneigenaren en daardoor zie je steeds vaker dat huizen permanent verhuurd worden voor short stay. Zo’n keihard verdienmodel heeft echter grote gevolgen voor de de stad. Huizen waar permanent toeristen verblijven dragen weinig bij aan de sociale cohesie en de Amsterdamse woningmarkt is door Airbnb nog krapper geworden. Doordat huizenkopers de potentiële opbrengst via Airbnb alvast meerekenen stijgen de huizenprijzen nog sneller.

Het probleem is duidelijk en de grote steden pleiten dan ook voor nieuwe wetgeving. Ondanks dat steden zoals Berlijn Airbnb inmiddels volledig in de ban hebben gedaan, besloot Amsterdam na onderhandeling voor een mildere aanpak. Met de ’60 dagen’ wetgeving mogen huizen nu nog maar voor maximaal 60 dagen via Airbnb worden verhuurd. Airbnb weigert echter openheid van zaken te geven en bemoeilijkt het hele proces enorm. Logisch misschien, aangezien Airbnb er nog altijd baat bij heeft als mensen hun woning zo vaak mogelijk verhuren. Een wens van wethouder Laurens Ivens om met de zogenaamde ‘meldplicht wet’ de illegale vakantieverhuurders aan te pakken werd echter door het kabinet snel aan de kant geschoven. Het kabinet benadrukt de vrije markt en een meldplicht is wat hen betreft “een disproportionele administratieve last”.

Ook Uber is in zijn achtjarig bestaan nooit vrij van controverse geweest. Waar er bij Airbnb vooral overlast voor stad en bewoner is, ligt dit bij Uber iets anders. Het grote succes van Uber bracht de taxidinosauriërs in verlegenheid en velen gingen daarom in protest. Ze blokkeerden snelwegen, daagde Uber-chauffeurs uit en vernielde zelfs auto’s die gewoon privé eigendom zijn van chauffeurs zelf. Ze vinden Uber oneerlijke concurrentie omdat het niet aan dezelfde strikte eisen hoeft te voldoen. Iets waar hotelketens ook tegenaan lopen, aangezien inderdaad gesteld kan worden dat Airbnb in feite de grootste hotelketen ter wereld is. Echter voldoet de keten in dat geval lang niet aan de veiligheidseisen van een normaal hotel.

Voor de bedrijven zelf is de deeleconomie eigenlijk een geperfectioneerde vorm van het kapitalisme. Waar in het klassieke model nog tijd en energie in het optimaliseren van werknemers moest worden gestopt heeft het platform kapitalisme bijna geen werknemers meer. Want werknemers kan je de chauffeurs van Uber niet noemen. Alleen de mensen die de werking van het platform zelf faciliteren staan nog op de loonstrook. De gebruikers van het platform, de mensen die de daadwerkelijke meerwaarde voor het platform creëren zijn geen werknemers van het bedrijf. Het zijn individuele micro-ondernemers die gedreven worden door het behalen van een zo hoog mogelijke recensie score.

Sterker nog, Uber is ze op termijn zelfs liever kwijt. Liever heeft het een vloot van zelfrijdende auto’s die de dure kostenpost voorgoed vervangt. De chauffeur is slechts een tussenfase om het algoritme klaar te stomen voor een geautomatiseerde toekomst. Zonder collectieve vakbond staat de micro-ondernemer eenzaam tegen het grootkapitaal.

Om meer over Uber te leren nam ik de proef op de som en meldde mij aan voor de uitrol van UberEats in Amsterdam. Uber gebruikt het algoritme waarmee het eerder succesvol was op de taximarkt nu om eten te bezorgen. En dus begon ik als fietskoerier, gehuld in Uber merchandising met een absurd grote box, app en natuurlijk mijn eigen fiets.

Zodra je online bent, begint het algoritme met schaken en verdwijn je in een virtuele landkaart van bezorgers die in een noodgang door de stad racen. Je krijgt betaald per bezorging en het loont dus om zo snel mogelijk maaltijden te bezorgen en daarmee een hoger loon op te strijken. Of dit ook veilig is, is een tweede, maar die verantwoordelijkheid heeft Uber slim uit handen gegeven door alle koeriers als ZZP’er in te huren. Deze constructie scheelt daarmee ook enorm in de kosten, want zonder pensioenbijdrages en onderhoudskosten blijft alleen een kilometertarief en vast bezorgloon van toepassing. Daarbij komt nog dat je als micro-ondernemer nauwelijks kan terugvallen op een werknemerscollectief of vakbond, daarvoor is de onderlinge strijd om de beste rating veel te hevig.

Langzamerhand verliezen de eens zo innovatieve startups hun gun-factor en gaan steden inzien dat verandering noodzakelijk is. Overheden hebben zelf in de hand hoe de deeleconomie zich verder zal vormen. Daarin lijkt de onzichtbare hand van Adam Smith niet de beste optie. Het reguleren van de markt is belangrijk omdat bedrijven zelf niet de morele verantwoordelijkheid nemen om de problemen ook daadwerkelijk op te lossen. Het inperken van de bewegingsvrijheid zal echter altijd een discussiepunt blijven waar vele belangen spelen.

Vraag blijft waar we op afstevenen? Doemdenkers zoals econoom Tyler Cowen denkt, dat Wallstreet en Silicon Valley alleen nog maar machtiger zullen worden met een grotere ongelijkheid tot gevolg. Econoom Jeremy Rifkin ziet het delen juist als het begin van een nieuw soort communisme, post- kapitalisme waarin de wereld één grote commune wordt. Persoonlijk denk ik echter dat dit een utopie is en overheidsregulering hard nodig is om kapitalistische grootmachten onder de spreekwoordelijke duim van de onzichtbare hand te houden.

Get an email when I publish a new essay